„Als je de geur van een trekpaard eenmaal geroken hebt, ben je verkocht”
Marc Desmet over een leven lang jurywerk en de bijzondere betekenis van IJzendijke
Marc Desmet is geen onbekende op de Internationale Trekpaardenkeuring in IJzendijke. Het Vlaamse jurylid is er al bij sinds 1997 en maakt dit jaar zijn achtste keuring mee. Een man met trekpaarden in het bloed, letterlijk al vanaf zijn kinderjaren. „Als 10-jarig kind stond ik achter twee mastodonten aan de ploeg om mijn vader te helpen. Die microbe van de trekpaarden heeft mij toen vastgegrepen. Als je de geur van een trekpaard eenmaal geroken hebt, ben je verkocht.”
Marc groeide op in Drongen, op een boerderij waar trekpaarden er gewoon bij hoorden, zoals op vele boerderijen. Zijn vader was er even zot van. Zijn hele leven lang heeft Marc nooit zonder trekpaard geleefd. Twee jaar geleden gingen de laatste twee paarden naar zijn zoon, maar Marc blijft enorm betrokken dankzij het jurywerk tijdens keuringen en jaarmarkten.
Het trekpaard behoort tot de koudbloedige paardenrassen, een term die in de paardenkunde overigens niets zegt over de lichaamstemperatuur maar alles over het karakter. Koudbloedpaarden zijn biologisch gezien warmbloedige dieren, net als elk ander paard. De naam verwijst naar hun geduldige, rustige temperament, dat hen bij uitstek geschikt maakte als werkdier op de zware landbouwgronden. Stap en draf zijn bij het trekpaard het best ontwikkeld, de galop is van nature kort. Dat karakter, die kracht gecombineerd met betrouwbaarheid, is precies wat Marc zo aanspreekt in het ras.
Wat maakt een goed trekpaard?
Als jurylid met tientallen jaren ervaring, onder meer bij de officiële Belgische hengsten- en merriebeoordelingen, weet Marc als geen ander waar hij naar kijkt. Toch begint zijn antwoord op de vraag hoe een leek een trekpaard moet beoordelen eerlijk: „Dat is heel moeilijk. Je moet er feeling mee hebben.”
Zijn eigen blik begint altijd bij het hoofd. „Dat hoofd is het belangrijkste van een paard, altijd. Het is het eerste dat je in het oog valt.” Een paard moet iets uitstralen, de ogen moeten leven, de oren goed op het hoofd staan. Daarna kijkt hij naar de schouder, die bij voorkeur schuin staat op zo’n 45 graden. „Dan gaat de hals langer tonen en kan het paard ruimer stappen.” De rug moet mooi hellend zijn, de achterhand gespierder, de romp diep genoeg voor de longen die het werk moeten aankunnen. De benen moeten recht onder het lichaam staan, met voldoende hoek in het spronggewricht om te kunnen scharnieren. „Een paard met een te recht achterbeen komt gewoon niet vooruit.”
De jury bekijkt de bouw van het paard om te zien of de verhoudingen van het lijf symmetrisch zijn, maar het defileren is minstens even belangrijk. „Het moet een ‘ruime stap’ zijn, waarbij je maar twee benen ziet als je hun achterkant bekijkt. Bij een correcte stap gaan de benen niet open.” In beweging zoekt Marc ook naar zweefmomenten in de draf en naar een overstap: het achterbeen dat verder reikt dan de afdruk van het voorbeen. „Dat duwen vanuit de achterhand, dat zweven vooraan, dat wil je zien. En als ze draven moeten we kijken of de manier waarop ze van de grond gaan correct is.”
Ontwikkeling naar een eleganter paard
De fokkerij is geëvolueerd, en Marc is blij met de richting. Het ideaalbeeld is niet langer het massieve werktrekpaard met zwaar gespierde, ruwe benen. „Dat waren geen benen, dat waren zuren,” zegt hij over het type van weleer. „We zijn naar een eleganter paard geëvolueerd, en dat moeten we verder blijven opwerken.” Het nieuwe ideaal is een gebruiksvriendelijk paard met zuivere benen, geschikt voor de huifkar en het bereden werk.
Interessant is ook dat de erfelijkheid van ‘vuile benen’ lang als vaststaand werd beschouwd, maar daar is men inmiddels van teruggekomen. Goede voeding, begeleiding en verzorging spelen een minstens even grote rol. De voorbereiding op een keuring vraagt kennis en geduld. Marc ziet te vaak dat eigenaren hun paarden te zwaar de ring insturen. „Liever iets magerder dan te zwaar, want dat is niet goed voor de benen en de conditie.” En na de keuring: geleidelijk afbouwen en niet abrupt stoppen met voeren.
Jurywerk: gevoel, systeem en ruggengraat
Het juryproces verloopt stap voor stap: globaal bekijken, onderling overleggen met de andere juryleden, individueel op stand beoordelen, laten stappen en draven, en dan punten geven. Hoe minder fouten de juryleden vinden, hoe hoger een trekpaard op de ranglijst eindigt. „Die eerste moet er met kop en schouders boven uitsteken. Dan is nummer één eigenlijk al vroeg bekend.”
Een onderdeel van de keuring is het toiletteren, het opmaken en vlechten van manen en staart. „Dat vind ik fantastisch,” zegt Marc. „Mensen die dat echt goed kunnen, dat is prachtig werk.” Er zijn ook subtiele mogelijkheden om kleine onvolkomenheden te camoufleren, zoals een gebogen hals iets meer laten vloeien via het vlechtwerk. „Als toeschouwer volg je die lijn. Als jury kijk je erdoorheen. Maar we begrijpen waarom eigenaren het doen. Het zijn accenten om die lijnen erin te krijgen.”
IJzendijke: een begrip over de grens
Waarom is de keuring in IJzendijke zo bijzonder? „Hier staan Nederlandse en Belgische paarden naast elkaar in een prachtige entourage van de Markt. Dat is uniek.” Hier kampioen worden is een eer, ook over de grens. Fokkers steken veel tijd in het trainen van hun trekpaarden. Soms zijn ze daar jaren heel gedreven mee bezig. Als een paard het dan goed doet in een wedstrijd, kan dat mogelijke kopers overtuigen. En die kopers komen ook uit het buitenland. De internationale uitstraling van de keuring in IJzendijke maakt winnen hier dan ook meer dan een lokale eer. Gevraagd naar de hengsten en merries die hem het meest zijn bijgebleven, noemt Marc een paar namen die elke liefhebber zal herkennen. Udo van Brandevoort, met zijn opvallende bruinschimmelkleur en zijn grote invloed als dekhengst. Aan merriezijde noemt hij Vera van Popkensburg, kampioene in 1979.
De toekomst van het jurywerk
Marc draait al even mee als jurylid en de instroom van jonge juryleden vraagt zeker aandacht. Marc is positief over de animo. Er zijn cursussen en de jongere generatie heeft interesse om deel te nemen. Maar hij is eerlijk: het vak leer je niet uit een boekje of met een diploma alleen. „Je moet erin opgroeien en jezelf verder ontwikkelen. Ik heb het geluk gehad dat ik het als jonge gast mocht leren van de heer Van Melckebeke van ’t Hof te Wassenhove. Praktijkkennis, veel ervaring opdoen en het luisteren naar mensen die er al decennialang in zitten: daar draait het om bij goed jurywerk.”
We maakten kennis met een gepassioneerd jurylid, die uit pure liefhebberij graag weer aanwezig was bij de twaalfde editie op zondag 19 juli in IJzendijke. Die microbe heeft hem lang geleden vastgegrepen en er is nog steeds geen remedie. Een groot geluk voor IJzendijke.